Donderdag 25 april 2019
Twentesport

Blanken

Geplaatst op 29 januari 2019 door   ·   Geen reacties

Vreselijk is dat: blanken. Hoewel het de ene keer wat zwaarder valt dan op een ander moment. Gisteren was het wel uitzonderlijk lastig. Daar ben je dan de hele dag voor in de weer. Voor de kat z’n staart, zo bleek. Het besef dat het op het allerlaatst nog een topdag wordt, houdt je overeind. Je kan maar zó een joekel scoren. Dan is alle leed vergeten.

Blanken, beste sportvishater, is vissen zonder te vangen. Een potje voetballen waarbij geen goal valt – als u dat meer zegt. Een golfbal die steeds langt het gaatje gaat, boksen zonder een treffer, de hoogspringer die de aanvangshoogte mist. Zoiets.
Je gaat dus niet met een zooi materiaal naar de waterkant om te proberen geen vis aan de vinnen te komen. Nee, de sportvisser gaat voor veel, of misschien slechts ééntje, maar dan wel een exemplaar van de buitencategorie. Hoe het ook zij, doorgaans ben je ergens in de wildernis. Een lateraalkanaal, een weide aan de ene kant, een rijtje bomen die aan de overkant staat. Hoewel, tegenwoordig – geen sportvisser die het is ontgaan- is streetfishing hot. Waar voorheen grachten, beken en waterlopen in de stad vooral bedoeld waren voor het dumpen van oude fietsen en snackbarafval, barst het nu van de vis. Dus is er geen fabrikant meer van visspulletjes die niet een collectie aan speciale hengels, kunstaas en molentjes heeft waarop iets van “street” geplakt is. Gisteren waren wij, te weten de lummelzoon en zijn viskameraad, bijgestaan door ondergetekende, te vinden bij een jachthaventje in Almelo. De haven is op de winterdag, en dat weet een kind, een plek waar vissen (ook de allergrootste snoek) schuilen voor de kou en zo goed als roerloos maar beschut betere tijden afwachten.

Afgelopen zondag was het pokkenweer. Ik kan er niets anders van maken: regen, een straffe wind die uit verre, vooral: koude streken, afkomstig was. We zagen eruit als poolreizigers uit de negentiende eeuw, met allerlei lagen van zeer oude kleren, want een flinke vis bij de kladden grijpen is soms een slijmerig en smerig karwei. Overigens zetten wij de beestjes steeds ongeschonden terug in hun element.

Wij visten met dood aas, dat wil zeggen: dode vis die je bij de sportviszaak haalt. Spiering dit keer. Met halfbevroren vingers peuterden wij dit onwelriekend aas aan de klauwhaak, schoven de dobber zodanig hoog dat het aas de bodem toucheerde – en wachten af tot een metersnoek het aas zou grijpen. De kou kroop in onze botten, door de waterig worden ogen zagen wij de dobber dansen op het woelige water, rillend wachten wij wat komen zou: een plotseling in de donkere diepte verdwijnende pen, ten teken dat het aas genomen was. Wie een kloeke spiering pakt, is geen kleine jongen.

Maar we blankten zondag. De vis wordt duur betaald. Ik had het er voor over gehad.

Erik Endlich

Delen is sportief

Reacties (0)




Archief