Maandag 25 maart 2019
Twentesport

Kunst&smijtwerk

Geplaatst op 23 oktober 2018 door   ·   Geen reacties

Er is veel voor hardlopen te zeggen. Ook tegen trouwens. Maar vooruit: hardlopen is gezond. Vaak wel ja. Je bent buiten en beweegt, maar dat kan ook van een hondenbezitter worden gezegd, of voor mijn part van een bejaarde achter een rollator. Want wandelen is, zo wijst onderzoek uit maar weten u en ik al langer: is gezonder. Als je rent komt iets van drie keer je lichaamsgewicht op de gewrichtjes en pezen, die dus elke keer een klap krijgen alsof er een molensteen overheen gaat. Ik weet dat ook als voormalig trainer voor beginners, of – zoals dat toen genoemd werd – Start to runners. Hoe voorzichtig het begin ook was: veel wandelen, af en toe vijf passen sullig joggen, daarna weer wandelen: als rijpe appelen vielen de beginnelingen om en uit. Men was te fors, had de coördinatie van een zieltogende dinosaurus of bleek het slachtoffer van het eigen temperament: te snel teveel willen.

Zere knieën, protesterende spieren, voeten die branden en dienst weigeren, gierende ademhaling: afijn, voor deze groep is hardlopen geen genoegen. Even een feitje: in de jaren zestig liep 80% van de deelnemers aan een marathon onder de drie uren. Tegenwoordig is dat minder dan twintig procent. Want destijds liepen uitsluitend echte lange afstandsloper een marathon, sjokkende dilettanten waren er niet: die biljartten in de kroeg of keken thuis in zwart-wit hoe echte atleten zich uitsloofden.

Of ze deden wat anders. Toen kwamen nog zeer fors gebouwde mannen en vrouwen naar de atletiekvelden, waar gravel en gras de ondergrond vormde. Daar namen deze kleerkasten het werptuig – kogel, kogelslinger, discus of speer – in de eeltige knuisten en smeten dat materiaal richting de einder. Ook deze types zijn zeldzaam geworden op de sportvelden. Nu frequenteren ze bedompte fitnesscentra en tl-verlichtte sportzalen waar zij zich slechts bezig houden met het wegduwen van vele kilo’s ijzer.

Net wat u zegt: ik bazel wat over oude tijden, die komen nooit weerom. Zo ben ik eigenlijk een hoogspringer. Maar wie doet dat nog: hoogspringen. Ja: de pupilletjes, of de cracks die dat voor de centen doen en die altijd uit het buitenland komen. Daarbij moet je altijd naar dat veld toe, twee palen en een lat opstellen voor een dik matras, een aanloop uitzetten en eeuwig oefenen totdat je over jezelf kunt springen – wat hoogte betreft dan. Om van de andere atletiekdisciplines maar te zwijgen.

Sprinten, horden lopen: eindeloze herhalingen van starten, perfect uitkomen en de eerste horde nemen, ballonkuiten kweken, ’s-winters in de gymzaal toestelturnen om sterker te worden, wedstrijdritme opdoen, een pr lopen.

Pffff. Rennen in het ochtendgloren, door een nog ongerept bos, of voor wie dat aardig vindt: met duizend man in de hoofdstad, maar vooral op momenten dat het uitkomt, waar en wanneer je maar wilt en in het zelf gekozen tempo: dat is je ware.

De rest is aanstellerij.

Erik Endlich

Delen is sportief

Reacties (0)




Archief